Mensen die 100 procent goed zijn, zijn uiterst zeldzaam. Desmond Tutu (1931-2021) behoort tot die categorie. En dat terwijl zijn moreel kompas vele malen op de proef werd gesteld. De eerste zwarte aartsbisschop van Zuid-Afrika, die een belangrijke rol speelde in de strijd tegen apartheid, werd diep gehaat door zijn witte landgenoten. Later maakten zwarte Zuid-Afrikanen hem juist uit voor verrader omdat hij als voorzitter van de waarheidscommissies zelfs de grootste mensenrechtenschenders vergiffenis schonk. Maar de Nobelprijswinnaar bleef tot het einde van zijn lange leven geloven in liefde.
Dat Sam Pollards biografische documentaire Tutu geen hagiografie is geworden, is vooral de danken aan de rijkdom van het beeldmateriaal. Veel daarvan is geschoten door journalisten Roger Friedman en Benny Gool, die Tutu twintig jaar lang op de voet volgden en ongelimiteerd toegang kregen tot alle aspecten van zijn leven. Daardoor is deze film over de man met de aanstekelijke ‘hyenalach’, die alleen getroost kan worden door zijn vrouw Leah en ooit tegen Reagan zei dat hij “naar de hel kon lopen”, een diep menselijk portret geworden.
Stills


































